In het project ‘Dichter bij Huis’ leren bewoners van de Achtse Barrier en vluchtelingen, die in de wijk zijn komen wonen, elkaar beter kennen. Dit is een verslag van de derde bijeenkomst.

Een prachtige dag, de zon schijnt, de deelnemers zijn blij om elkaar weer te zien. Er zijn twee nieuwe buurtgenoten bij gekomen. Ook een journalist en een fotograaf van het Eindhovens Dagblad schuiven deze keer aan.

We gaan in een kring bij elkaar zitten. Aan de muur hangt een kaart van Europa. We vragen de mensen die gevlucht zijn, hoe ze naar Nederland zijn gekomen.

A. neemt het woord: “Ik kom uit Syrie, vlakbij Libanon. Geboren in 1986 en opgegroeid met mijn familie in een klein dorpje. Na de middelbare school ging ik studeren in Damascus. Daarna ging ik terug naar mijn dorp. Daar werkte ik als electricien en had ik een eigen winkel. In 2011 werd het oorlog en in 2013 moest ik mijn winkel sluiten.

Toen werden mijn broer en ik opgeroepen voor het leger. Mijn broer besloot in dienst te gaan. Ik vluchtte naar Turkije. Vanuit Turkije ging ik met de boot naar Kos. Het was een kleine boot, maar er waren zeker zestig mensen aan boord. De reis duurde 4 uur. Vlak voor de Griekse kust zonk de boot. Gelukkig was de zee rustig en we hebben het allemaal overleefd.

Vanuit Kos ging ik naar Athene. Ik ging met de bus, met de trein en lopend. Ik reisde altijd in de nacht. Eerst door Oostenrkijk, daarna door Duitsland. Daar werd ik ziek. Ik kreeg hoge koorts. Ik weet niets meer van die periode. Ik kreeg eten van het Rode Kruis: een appel of een tosti. In Nederland kwam ik eerst in het asielzoekerscentrum van Utrecht terecht. Daarna woonde ik in verschillende AZC’s tot ik in Eindhoven een huis kreeg toegewezen.

Ik mis mijn familie. Ik ben hier helemaal alleen. Mijn broer die in het leger ging, is doodgeschoten; hij was 18 jaar. Ik ken nog wel mensen uit het AZC. En ik heb hele aardige buren, maar ze hebben alijd haast.”

Een Syrisch echtpaar vertelt dat ze vier kinderen hebben, waarvan twee ernstig ziek zijn. Hun dochtertje heeft kanker. Ze lag in het ziekenhuis in Damascus toen de oorlog begon. De weg naar het ziekenhuis werd steeds gebombardeerd. Het werd te gevaarlijk om daar te blijven. Ze zijn via Turkije en Griekenland naar Nederland gevlucht. Het gaat nu redelijk goed met hun dochter. Iedere drie maanden gaat ze voor behandeling naar het Prinses Maxíma Centrum voor kinderoncologie in Utrecht.

Vele verhalen volgen. Er komen steeds meer lijnen van de vluchtroutes op de kaart bij. Onder de indruk van alle verhalen lopen we daarna met z’n allen nog een stukje door het park naar de Bloementuin. De zon schijnt. De vogels fluiten. We leven allemaal nog. En we hebben het goed met elkaar.

Lees hier het artikel uit het Eindhovens Dagblad.